Shell, Total Energies en de sector Energie

Amerikaanse majors als ExxonMobil en Chevron noteren inmiddels rond de zestien tot twintig keer de winst, terwijl de Europese majors blijven steken op zeven tot tien keer. Die kloof is deze eeuw hardnekkig opgelopen, en daar zijn een paar structurele redenen voor. De belangrijkste is de vindplaats van de olie zelf: de Amerikanen zitten boven op de schaliegordel van het Permbekken en op de vondsten voor de kust van Guyana, een goedkope en snelgroeiende reservebasis die Europa simpelweg niet heeft. Daar komt bij dat de Europese majors tijdens de pandemie een strategische omweg maakten richting netto nul, waarna ze onder druk van tegenvallende rendementen weer terugkeerden naar olie en gas. Die heen-en-weerbeweging heeft het vertrouwen van beleggers gekost, precies in de periode dat de Amerikanen onverstoorbaar op hun kernactiviteit bleven zitten. Ook de omgeving werkt tegen: Europese energie is duurder, de regeldruk hoger en de binnenlandse kapitaalmarkt ondieper dan de Amerikaanse, waar een brede beleggersbasis de eigen energiereuzen structureel een hogere waardering gunt. En doordat de Amerikanen dankzij hun hogere koers overnames in aandelen kunnen doen — Exxon nam Pioneer over, Chevron kocht Hess — versterkt de waarderingskloof zichzelf: wie duurder noteert, kan goedkoper groeien.