De omloopsnelheid van geld — in de kwantiteitstheorie weergegeven als V in de vergelijking MV = PY — meet hoe vaak een eenheid geld gemiddeld van hand wisselt in een economie gedurende een bepaalde periode. Hoe hoger de omloopsnelheid, hoe meer economische activiteit elke dollar of euro ondersteunt. Tot begin jaren negentig was deze snelheid relatief stabiel, wat de monetaristische gedachte ondersteunde dat M2-groei een betrouwbare voorspeller van inflatie was. Daarna begon een lange periode van structurele daling, met als dieptepunt de jaren na de financiële crisis van 2008 en opnieuw na de COVID-pandemie. Verschillende factoren verklaren deze ontwikkeling. Ten eerste leidde financiële deregulering en innovatie — van internetbankieren tot geldmarktfondsen en schaduwbankieren — ertoe dat geld steeds meer werd opgepot in financiële instrumenten in plaats van actief te circuleren in de reële economie. Ten tweede zorgden de lage en later nulrentes na 2008 ervoor dat banken liever overtollige reserves aanhielden bij de centrale bank dan leningen te verstrekken, waardoor de door de Fed gecreëerde liquiditeit nooit volledig in de economie doorsijpelde. Ten derde speelden voorzichtigheid van consumenten en bedrijven na economische schokken een rol: in onzekere tijden wordt geld gespaard in plaats van uitgegeven. Het gevolg was paradoxaal: de Fed kon haar balans dramatisch uitbreiden zonder onmiddellijk inflatie te veroorzaken — totdat in 2020 en 2021 de omloopsnelheid stabiliseerde op het moment dat de geldhoeveelheid met ongekende snelheid groeide, en inflatie alsnog met volle kracht toesloeg.