De Buffett-indicator is de verhouding tussen de totale beurswaarde van alle aandelen en het bruto binnenlands product, ooit door Warren Buffett omschreven als wellicht de beste maatstaf voor de waardering van de markt op een bepaald moment. Toch is het om meerdere redenen een gebrekkige meetlat. Ten eerste vergelijkt de indicator de waarde van Amerikaanse bedrijven met de Amerikaanse economie, terwijl de grootste ondernemingen inmiddels meer dan de helft van hun omzet en winst buiten de Verenigde Staten halen; je zet dan een wereldwijde winstmotor af tegen een nationale economie. Ten tweede is het logischer om de beurswaarde te koppelen aan het aandeel van de bedrijfswinsten in de economie en niet aan de totale economie, want op lange termijn volgen koersen de winst per aandeel en niet de omvang van het bbp — en dat winstaandeel is structureel gestegen door hogere marges. Ten derde houdt de indicator geen rekening met de rentestand, terwijl een lagere rente toekomstige winsten simpelweg meer waard maakt en dus een hogere waardering rechtvaardigt. Ten vierde is de samenstelling van de economie veranderd: kapitaalarme technologie- en softwarebedrijven met hoge marges verdienen een hogere waardering dan de kapitaalintensieve industrie van vroeger. En ten slotte geeft de indicator geen enkel signaal over timing; hij staat al jaren hoog, terwijl de markt in die periode juist verder is gestegen op het ritme van de winsten.