De eurocrisis werd mede veroorzaakt door een weeffout in de Europese bankenregulering: commerciële banken mochten staatsobligaties van eurolanden aanhouden met een risicoweging van nul procent, waardoor ze er geen eigen vermogen tegenover hoefden te stellen. Dat maakte het aantrekkelijk om massaal staatspapier op te kopen van landen als Griekenland, waar het rendement hoger lag terwijl de kapitaaleis nihil bleef. Het gevolg was een kunstmatige convergentie van rentes binnen de eurozone, alsof de markt geen onderscheid meer maakte tussen de kredietwaardigheid van de verschillende lidstaten. Toen Griekenland eind 2009 onthulde dat de begrotingstekorten jarenlang veel groter waren dan gerapporteerd, bleken Europese banken vol te zitten met Grieks papier dat scherp in waarde daalde — en werd een Grieks begrotingsprobleem via de bankbalansen een existentiële crisis voor de hele eurozone.