Sinds het Brexit-referendum van juni 2016 zijn de Londense huizenprijzen duidelijk achtergebleven bij de rest van het Verenigd Koninkrijk: waar de gemiddelde Britse huizenprijs sindsdien met ongeveer 38% is gestegen, kwam Londen niet verder dan circa 10%, en in de City of London en Westminster liggen de prijzen zelfs ruim 30% respectievelijk bijna 25% lager dan tien jaar geleden. Dat komt doordat Brexit juist de pijlers onder de Londense markt raakte: de internationale financiële sector, die traditioneel de toon zet aan de bovenkant van de markt, verloor banen en zekerheid, en de toestroom van Europese werknemers en buitenlandse kopers nam af. Tegelijkertijd werd het fiscale klimaat voor dure woningen en buitenlandse investeerders stelselmatig verslechterd via hogere overdrachtsbelasting en extra toeslagen. Daarbij kwam het vertrekpunt: Londen was in 2016 al extreem duur ten opzichte van de inkomens, waardoor de hardere rentestijging sinds 2022 daar het zwaarst aankwam, terwijl thuiswerken na de pandemie kopers aanmoedigde uit te wijken naar goedkopere regio's. Ook recent daalden de Londense prijzen nog met bijna 4% op jaarbasis terwijl ze landelijk bleven stijgen, zodat Londen gecorrigeerd voor inflatie een van de zwakste vastgoedmarkten van het land is geworden.