Vraaggedreven en aanbodgedreven inflatie

Vraaggedreven inflatie ontstaat wanneer de bestedingen sneller groeien dan de economie aankan: consumenten en bedrijven willen meer kopen dan er beschikbaar is, en die overvraag duwt de prijzen omhoog. Denk aan een oververhitte arbeidsmarkt of ruime kredietverlening die de vraag aanjaagt. Aanbodgedreven inflatie komt daarentegen van de andere kant: niet de vraag is te groot, maar het aanbod schiet tekort of wordt duurder, bijvoorbeeld door een olieschok, een tekort aan halfgeleiders, een misoogst of verstoorde toeleveringsketens, waardoor dezelfde hoeveelheid goederen simpelweg meer kost. Het wezenlijke onderscheid voor het monetaire beleid is dat een centrale bank uitsluitend aan de vraagkant kan ingrijpen: met de rente en de geldhoeveelheid kan zij bestedingen afremmen of aanwakkeren, en zo vraaggedreven inflatie effectief temperen. Aan de aanbodkant staat zij echter machteloos, want een centrale bank kan met geen enkel rentebesluit een vat olie uit de grond halen, een chipfabriek laten draaien of een geblokkeerde haven vrijmaken.