Correlatie en dispersie S&P 500

Correlatie meet in hoeverre aandelen tegelijkertijd dezelfde kant op bewegen: bij een hoge correlatie stijgen en dalen aandelen min of meer gezamenlijk, vaak gedreven door macrofactoren zoals rentevrees of recessieangst, terwijl bij een lage correlatie elk aandeel veel meer zijn eigen weg gaat op basis van bedrijfsspecifieke factoren. Dispersie meet vervolgens hoe groot de verschillen in rendement tussen individuele aandelen zijn: een hoge dispersie betekent dat de afstand tussen winnaars en verliezers groot is, ook als de index per saldo nauwelijks beweegt. De combinatie van een lage correlatie en een hoge dispersie is bij uitstek een omgeving waarin actief beheer en aandelenselectie lonen: de markt wordt dan niet langer gedreven door één dominant macrothema, maar door fundamentele verschillen tussen bedrijven, waardoor de juiste keuzes ruim beloond worden en de verkeerde keuzes hard worden afgestraft. Voor indexbeleggers voelt zo'n markt vaak rustig aan, omdat individuele uitslagen elkaar binnen de index uitmiddelen, maar onder de oppervlakte is het juist een stockpickersmarkt waarin kennis van individuele ondernemingen het verschil maakt tussen out- en underperformance.